Twitter voor overheidsjuristen

 

Het zou met social media natuurlijk allemaal een stuk gemakkelijker zijn als we er gewoon een wet voor zouden maken. Als er ergens zou staan wat ambtenaren ermee moeten. Maar nee hoor, we kunnen en mogen weer van alles. En dus moeten we zelf bedenken wat we ermee willen.

Neem nou Twitter. De regels die daarvoor gelden, wijken in wezen niet af van de regels voor verjaardagsfeestjes en treinreizen. Ook ambtenaren mogen kletsen, met iedereen, over alles, maar er zijn grenzen. Er is een vrijheid van meningsuiting. En er is de beperking van dat grondrecht via artikel 125a van de Ambtenarenwet.

Waarom eigenlijk zou een mens een account aanmaken en zo de mogelijkheid creëren om via internet berichtjes in maximaal 140 tekens te lezen? Berichtjes van bekenden maar ook van wildvreemden. Met de mogelijkheid om ook zelf dat soort boodschappen te verspreiden?

Een belangrijke reden komt verdacht veel overeen met de reden om een krant te lezen of een tv-journaal te bekijken. Nieuwsgierigheid. Twitter is zo beschouwd niet veel meer dan nog een manier om op de hoogte te raken van nieuwtjes.

Die nieuwsgierigheid komt in de beste families voor, ook bij ambtenaren. Gelukkig maar. Juist overheidsdienaren doen er goed aan zich te vergewissen van maatschappelijke ontwikkelingen. Dit geldt natuurlijk ook voor wetgevings- en andere overheidsjuristen. De tijd is voorbij dat we kunnen wachten op het geklepper van de brievenbus als het NJB binnenvalt. Op Twitter vinden we niet alleen nieuwtjes, maar ook opinietjes. De kwaliteit daarvan is op zijn best onvoorspelbaar, maar dat is geen reden om niet aanwezig te zijn. Je hoeft ook niet iedereen en alles te volgen. Zoveel is er niet veranderd sinds: “Er zit een knop op je tv”.

Je kunt dus, ook als ambtenaar, met een veilig gevoel je account aanmaken. Zodat je toegang hebt tot tweets van anderen. De grootste kans voor overheidsorganisaties en voor ambtenaren is dat social media als Twitter ons kunnen helpen bij wat we niet zo goed kunnen: luisteren. Maar misschien wil je ook wel iets zeggen. Of beter nog: vragen.

Aangekomen op Twitter zijn er nog tal van keuzes te maken. Je kunt een schuilnaam nemen, maar is dat nou wel zo netjes? Je kunt in je “bio” schrijven dat je tweets “op persoonlijke titel” zijn, maar waarom zou je? Is het niet logisch dat je namens jezelf communiceert? En juridisch gezien heeft de toevoeging geen zin; ook “op persoonlijke titel” kun je de regels overtreden.

Zelf ben ik vrij laat aangekomen in het beloofde land van Twitter. Uiteraard met een anoniem account, @kennisvannu. Vervolgens werd ik @PaulvDijk, zij het “op persoonlijke titel”. Ook die keten heb ik van me af geworpen. Iedereen mag weten dat ik bij @autoriteitfm werk, al twitter ik niet uit hoofde van mijn functie. Buiten Twitter ben ik verantwoordelijk voor de communicatie van de Autoriteit Financiële Markten, op Twitter alleen voor mezelf.

Ik volg mensen en organisaties die ik het volgen waard vind. En ik stuur af en toe een bericht dat ik interessant vind – en mogelijk interessant voor anderen. Ik bericht bewust feitelijk, al kan er soms een opvatting doorheen glippen. Ik twitter als privépersoon, maar bewaar de gezelligheid meestal voor Facebook. Voor specialistische tweets heb ik ruimte gemaakt via @markttoezicht. Ik twitter niet direct over mijn werk. Ook dat is een keuze. Het is toe te juichen als ambtenaren open zijn; er is immers veel niet geheim, meer dan we laten zien. Maar zelf wil ik waken voor verwarring. Er zijn niet voor niets afspraken over woordvoering en woordvoeringslijnen.

Ook Twitter is een kwestie van kiezen. De regels veranderen niet zo snel, maar keuzes kunnen zich wel ontwikkelen. Schrik dus niet als je binnenkort leest wat ik echt ergens van vind. Ook voor die tijd zijn reacties welkom, uiteraard via @PaulvDijk.

Paul van Dijk

20130330-234619.jpg

Lasten voor ondernemers, lusten voor consumenten

President Barack Obama geeft in zijn State of the Union 2011 even weer hoe marktwerking, administratieve lasten en consumentenbescherming zich tot elkaar verhouden: 

“To reduce barriers to growth and investment, I’ve ordered a review of government regulations.  When we find rules that put an unnecessary burden on businesses, we will fix them.  (Applause.)  But I will not hesitate to create or enforce common-sense safeguards to protect the American people.  (Applause.)  That’s what we’ve done in this country for more than a century.  It’s why our food is safe to eat, our water is safe to drink, and our air is safe to breathe.  It’s why we have speed limits and child labor laws.  It’s why last year, we put in place consumer protections against hidden fees and penalties by credit card companies and new rules to prevent another financial crisis.  (Applause.)  And it’s why we passed reform that finally prevents the health insurance industry from exploiting patients.  (Applause.)”

De complete speech: http://www.whitehouse.gov/the-press-office/2011/01/25/remarks-president-state-union-address

Hoe kan maximumsnelheid naar 130 km?

Op 28 november 2010 lieten VVD en PVV weten dat zij de maximumsnelheid op een aantal snelwegen al in januari 2011 willen verhogen naar 130 km per uur. “Dat is makkelijk te doen, want je haalt gewoon het huidige bordje weg en je zet er een bord met 130 kilometer neer”, zegt Tweede-Kamerlid Richard de Mos (PVV) op 28 november tegenover het ANP (www.nu.nl). Maar er is meer nodig, tenzij de bordjes gedoogbordjes worden. 

De verhoging van de maximumsnelheid vergt een aanpassing van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Procedure

De maximumsnelheid kan worden verhoogd via een algemene maatregel van bestuur. Zo’n maatregel wordt besproken in de ministerraad, waarna de Raad van State een advies geeft en de minister een “nader rapport” opstelt. Daarna wordt de maatregel ondertekend door de betrokken minister(s) en de koningin en bekendgemaakt in het Staatsblad.

Voor de algemene maatregel van bestuur ter verhoging van de maximumsnelheid geldt ook nog een zogenaamde “voorhangprocedure”. De voordracht van deze maatregel moet wachten, namelijk 4 weken nadat het ontwerp aan de kamers der Staten-Generaal is voorgelegd (artikel 2b Wegenverkeerswet).

De Aanwijzingen voor de regelgeving zeggen dat daarbij rekening moet worden gehouden met het reces van het parlement. De overlegging moet gebeuren op een zodanig tijdstip “dat ten minste drie vierde deel van de in die aanwijzingen bedoelde termijn buiten een reces van de kamers valt” (aanwijzing 43a, eerste lid). Dan moet ook “een na het reces liggende datum genoemd vóór welke de kamers hun zienswijze kenbaar kunnen maken” (aanwijzing 43a, derde lid). De minister zal “uitdrukkelijk en gemotiveerd” moeten vermelden waarom een verlening van zo’n termijn niet mogelijk zou zijn.

Regeerakkoord

Het kabinet-Rutte heeft nog niet vastgesteld waar de maximumsnelheid op de snelweg wordt verhoogd. De maximumsnelheid wordt 130 kilometer per uur, zegt het regeerakkoord. Het akkoord stelt ook: “Ook op andere wegen wordt de maximumsnelheid herbeoordeeld. Indien nodig voor de luchtkwaliteit, geluidsbelasting of verkeersveiligheid geldt een lagere maximumsnelheid.”

Het kabinet wil dus bekijken of andere snelheden worden aangepast en waar de 130 kilometer niet kan worden toegepast. Daar komen dus andere borden te staan.

Proeve van een regeling

Het kabinet zou alvast de wettelijke maximumsnelheid kunnen aanpassen, om dan later te beslissen waar de borden worden vervangen (of overgeschilderd). Hoe kan de regeling ter verhoging van de maximumsnelheid luiden? Een proeve:

Besluit van …… (datum), houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in verband met de verhoging van de maximumsnelheid op autosnelwegen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van …… (datum en nummer);

Gelet op de artikelen 2 en 13 van de Wegenverkeerswet 1994;

De Raad van State gehoord (advies van …… (datum en nummer));

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van …… (datum en nummer);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

In artikel 20, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt “120 km” vervangen door: 130 km.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van ….

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

s-Gravenhage, (datum)

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

 

Uitgegeven de zestiende (maand jaar)

 

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I.W. Opstelten

 

* Een eerdere versie van dit concept-besluit verscheen op 6 november 2010 op www.kennisvannu.nl.

De opkomst van het “gedoogakkoord”

De leiders van CDA, VVD en PVV streven naar “een kabinet van VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV”. Zij willen niet alleen een regeerakkoord maar ook een “gedoogakkoord”. Een “staatsrechtelijk novum”, aldus informateur Opstelten.

Het “gedoogakkoord” is kennis van nu. Het woord is niet eerder dan in 2010 terug te vinden in de Nederlandse parlementaire geschiedenis. En de term wordt nog niet door iedereen overgenomen. De Koningin heeft nog niet gerept van een “gedoogakkoord” of “gedogen”.

PVV-leider Geert Wilders zei bij de presentatie van zijn verkiezingsprogramma dat “gedogen” een optie zou zijn “ als een plaatsje in de Trêveszaal er niet inzit”. “Ik ben van nature niet zo’n fan van gedogen maar dit is dan de enige uitzondering.” Na de verkiezingen herhaalde hij dat  “gedoogsteun” zijn tweede optie was.

Wat is de geschiedenis van het “gedoogakkoord”?

Het woord “gedoogakkoord” ziet het licht in de verklaring van VVD, CDA en PVV van 30 juli 2010:

“Daarom is – met acceptatie van elkaars verschillen van mening en het volledig aan elkaar gunnen van de vrijheid van meningsuiting over bestaande verschillen van inzicht – overeengekomen dat de PVV het nader te onderhandelen regeerakkoord op onderdelen zal steunen vanuit een gedoogpositie. VVD en CDA zullen van hun kant in het overeen te komen gedoogakkoord wensen van de PVV honoreren.

In zo’n gedoogakkoord zullen in ieder geval de afspraken moeten staan over de invulling van de maatregelen van de bezuinigingen en harde afspraken over immigratie, integratie en asiel, veiligheid en betere ouderenzorg waarbij duidelijk is dat voor de PVV de bereidheid tot het steunen van bezuinigingen gekoppeld is aan de inhoud van de te maken afspraken op het gebied van immigratie, integratie en asiel, veiligheid en ouderenzorg.”

Informateur Lubbers licht in zijn eindverslag toe hoe de gedoogvariant in 2010 is ontstaan. Over zijn gesprekken op 22 juli schrijft hij:

“Toen de fractievoorzitter van de PvdA herhaalde dat eerst duidelijkheid moest ontstaan over een combinatie van VVD, PVV en CDA, wees ik hem er op dat dit ook zou kunnen leiden tot het resultaat dat zulk een combinatie inderdaad mogelijk zou blijken, bij voorkeur als coalitie maar ook in het geval dat de drie daarover geen overeenstemming zouden bereiken, wellicht in een gedoogvariant. De PvdA-fractievoorzitter merkte op dat de opdracht zich beperkte tot meerderheidsvarianten.

Ook schrijft Lubbers:

 “Intussen had de fractievoorzitter van de VVD mij gemeld dat zijn voorkeur nadrukkelijk lag bij een VVD-PVV-CDA coalitie, maar dat gedogen door de PVV ook een mogelijkheid was, terwijl de fractievoorzitter van de PVV in dit verband met name wees op de ruimte die dit hem en zijn fractie bood voor het uitdragen van de eigen opvattingen in de Kamer. Mijn conclusie uit de gesprekken van die dag was dat niets bespreekbaar was als niet eerst een combinatie van VVD, PVV en CDA onderzocht werd.”

Op 23 juli schrijft Lubbers in een mededeling voor de pers over “politieke samenwerking”:

 Ik schrijf nadrukkelijk politieke samenwerking omdat mij gebleken is dat een dergelijk onderzoek zich niet alleen zou moeten richten op de mogelijkheid van een VVD-PVV-CDA kabinet, maar ook op een VVD-CDA kabinet met gedoogsteun van de PVV.”

In zijn eindverslag gebruikt ook Lubbers op 3 augustus de term “gedoogakkoord”:

“Ons land is gewoon bestuurd te worden door meerderheidskabinetten. Nu is er echter zoals hierboven beschreven het onderzoek naar de mogelijkheid van een bijzondere politieke samenwerking van VVD, PVV en CDA beogend een regeerakkoord tussen VVD en CDA en een gedoogakkoord hiervan door en met de PVV. Dit is uiteraard geen meerderheidskabinet als gebruikelijk. Het is echter ook geen gewoon minderheidskabinet. Immers, een meerderheid in de Tweede Kamer werkt samen, zij het op een bijzondere, eigen wijze met een regeerakkoord en een afzonderlijk gedoogakkoord die niet geheel los van elkaar gezien kunnen worden.”

In zijn toelichting aan de Tweede Kamer op 4 augustus meldt Lubbers:

“Nu moet ik iets zeggen over de verhoudingen die ik ken en over wat dat bijzondere minderheidskabinet eigenlijk betekent. Ik neem twee passages uit het eindverslag. Het is niets nieuws, maar ik kan er iets over zeggen, zodat het zo helder mogelijk wordt. De eerste passage is te vinden op pagina 6 van mijn eindverslag. Daarin wordt erop gewezen dat de fractievoorzitter van de PVV er met het oog op de gewenste politieke samenwerking en in daarop gerichte gesprekken zorg voor zal dragen dat het conceptregeerakkoord geen elementen bevat die het gedoogakkoord voor de PVV onmogelijk zouden maken. Ik vraag aandacht voor die formulering. Bij die formulering dacht ik in eerste instantie dat je in de politieke samenwerking regeerakkoord en gedoogakkoord in een adem zou kunnen noemen. Later hebben de drie fractievoorzitters mij bij verificatie echter suggesties gedaan om mijn pen toch iets aan te scherpen omwille van een goede formulering. Daarom leest u boven aan pagina 8 van het verslag: ′′het betreft nu een kabinet dat in zijn samenstelling een minderheidskabinet is, maar in de Tweede Kamer steun kan vinden bij een meerderheid van VVD, PVV en CDA bij de uitvoering van het gedoogakkoord, terwijl de PVV-fractie bij de uitvoering van het regeerakkoord het kabinet niet naar huis stuurt′′. Ik vergelijk die formulering even met wat ik net zei: regeerakkoord en gedoogakkoord is een geheel, zo dacht ik na het eerste gesprek, maar in het tweede daarover vragen stellend, is mij gebleken dat ik het beter zo kon formuleren. Dit is dan ook conform de bedoelingen van de drie fractievoorzitters. Die gaan nu verder spreken onder een nieuwe informateur, maar dit beantwoordt de vragen wat ik wist van het karakter van dat kabinet. Dit kan ik hier dus over vertellen.”

De Koningin geeft vervolgens, op 5 augustus, de opdracht aan informateur Ivo Opstelten om:

“een onderzoek in te stellen naar de spoedige totstandkoming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal”.

Informateur Opstelten geeft op dezelfde dag een interpretatie van zijn opdracht, waarin hij de term “gedoogakkoord” overneemt:

“Gisterenavond heb ik van de Koningin mag ik zeggen – zo voel ik het ook – een uitdagende opdracht ontvangen. Kort samengevat: die opdracht zorgt dat er twee akkoorden komen. Een regeerakkoord en een gedoogakkoord. Dat moet de basis zijn voor de spoedige komst van een stabiel kabinet van VVD en CDA, dat met steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal.”

Nadat de onderhandelingen zijn vastgelopen, geeft Opstelten in zijn eindverslag van 4 september uitleg over de beoogde samenwerking:

“De besprekingen hadden betrekking op de totstandkoming van een regeerakkoord tussen de coalitiefracties VVD en CDA en op een akkoord («gedoogakkoord») tussen de fracties van VVD, PVV en CDA over steun aan een kabinet van VVD en CDA met betrekking tot de beleidsterreinen immigratie, integratie, asiel, veiligheid en ouderenzorg alsmede een pakket bezuinigingen van 18 miljard euro. De inhoud van het tussen de drie fracties te sluiten akkoord zou integraal deel uitmaken van het regeerakkoord tussen de coalitiefracties VVD en CDA. Voorts hield het beoogde akkoord van de drie fracties in dat de PVV-fractie bij de behandeling in het parlement van voorstellen van het kabinet geen moties van wantrouwen of afkeuring zou steunen voor zover die betrekking zouden hebben op de uitvoering van onderwerpen uit het regeerakkoord. Overigens zou de PVV-fractie de vrijheid hebben tegen die voorstellen zelf te stemmen. Met het oog daarop nam de voorzitter van de PVV-fractie deel aan de besprekingen tussen de voorzitters van de fracties van VVD en CDA over het regeerakkoord.”

 

Wat betekent dit voor de benaming van het kabinet? 

In het debat over het eindverslag van Opstelten wordt door verschillende Kamerleden gesproken over:

“een kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV”

Alexander Alexander Pechtold (D66) noemt het een:

“CDA/VVD/PVV-kabinet”

CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen geeft als omschrijving:

een minderheidsregering waarbij wij door middel van een gedoogakkoord zekerstellen dat de maatregelen die wij zullen nemen, kunnen rekenen op de instemming van een meerderheid” 

De nieuwe informateur, Herman Tjeenk Willink, spreekt op 8 september van een:

“een samenwerking tussen VVD en CDA met PVV”

In antwoord op vragen noemt hij dit een:

“minderheidskabinet-meerderheidscoalitie”

Bureau woordvoering kabinetsformatie laat op 9 september weten dat Tjeenk Willink zich richt op:

“de beoogde politieke samenwerking tussen VVD, PVV en CDA”.

Bureau Woordvoering kabinetsformatie noemt ook weer de “gedoogsteun”:

“De informateur zal – zoals eerder aangekondigd – in vervolggesprekken die hij donderdag 9 september 2010 achtereenvolgens met de drie fractievoorzitters van VVD, PVV en CDA voert, nader ingaan op de voorwaarden die vervuld moeten zijn om de vorming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met gedoogsteun van de PVV kan rekenen op vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal met succes te kunnen afronden.”

Informateur Tjeenk Willink is op zoek naar een antwoord op de vraag:

“Is er een grote mate van zekerheid dat de informateur dit keer wel aan zijn opdracht kan voldoen: “een onderzoek in te stellen naar de spoedige totstandkoming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal”.

Op 13 september spreekt ook Tjeenk Willink over een “gedoogakkoord” en over:

“een kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV”

Waarna hij als advies geeft om een informateur te benoemen voor de voortzetting van het onderzoek

“naar de spoedige totstandkoming van een stabiel kabinet van VVD en CDA dat met de steun van de PVV kan rekenen op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal”.

De Koningin beslist aldus. En informateur Opstelten is weer aan het werk.

Op de website www.kabinetsformatie2010.nl is nu ook te lezen:

“Het is staatsrechtelijk mogelijk te regeren met een minderheidskabinet. De meerderheid in de Tweede Kamer moet dan wel zo’n kabinet gedogen.”

(update 13 september, 26 september)

Last of ruggespraak

Stemmen leden van de Tweede Kamer zonder last of ruggespraak?

Nee, zegt artikel 67 van de Grondwet, ze stemmen “zonder last”.

Voor 1983 stond er ook dat zij “zonder ruggespraak met hen die benoemen”. Die passage werd als verouderd beschouwd. Uit de memorie van toelichting:

 “Deze woorden zijn overbodig en hebben alleen nog maar historische betekenis. Zij kunnen bovendien de onjuiste indruk wekken dat het voeren van overleg aan de leden van de Staten-Generaal verboden is.”

Overleg mag wel, een bindend mandaat mag niet.

“Wel achten wij het gewenst het verbod van last te handhaven. Daarmede wordt vastgelegd dat elk bindend mandaat van een lid van de Staten-Generaal nietig is. Op zulk een mandaat kan derhalve nimmer een beroep worden gedaan. Zo zal bijvoorbeeld niet de ongeldigheid van een stemming kunnen worden ingeroepen op de grond dat een lid van de Kamer anders stemde dan in zijn fractie was overeengekomen.”

Gedoogsteun

Ook “gedoogsteun” was er eerder, maar dan anders….

De eerste vermelding in de (gedigitaliseerde) parlementaire geschiedenis is te vinden in 1977.

Fractievoorzitter Ed. van Thijn van de PvdA schreef op 5 december aan informateur mr. W.C.L. van der Grinten:

“Het zou natuurlijk kunnen dat u met uw nieuwe stap beoogt alsnog de steun te verwerven van andere fracties op basis van het regeerakkoord tussen C.D.A. en V.V.D. Wanneer u in die poging slaagt zal dat toch niet veel meer kunnen zijn dan gedoogsteun, zodat u dan toch het extra-parlementaire stadium binnentreedt. Tenzij u hen tot het aanvaarden van een parlementaire binding zou willen uitnodigen. In dat geval is het echter niet juist nog langer van een C.D.A.-V.V.D.-kabinet te spreken. Dan bent u bezig een C.D.A.-V.V.D.-X-Y-Z-kabinet te vormen.”

Het woord was al eerder gevallen. Toen kwam de gedoogsteun niet van een andere partij, maar dan vanuit een (beoogde) regeringspartij. CDA-fractievoorzitter Willem Aantjes zei op 26 november bij de VARA:

“Er is een tussenvorm. Dat is dat je zegt, ik steun de totstandkoming van dit kabinet niet. (…) Maar als het toch tot stand komt, dan zal ik er niet op uit zijn om het meteen weg te sturen. Dan zal ik het op zijn beleid beoordelen. (…) Dat is dan de zogenaamde gedoogsteun.” 

(A.K. Koekkoek, Partijleiders en kabinetsformatie, Deventer, 1978, blz. 440)

Informateur Van der Grinten legde uit wat die gedoogsteun volgens hem inhield:

 “Constitutionele steun is toegezegd door de fracties als zodanig; de enkele leden die de totstandkoming van het kabinet niet willen bevorderen doch ook niet willen beletten, zijn deel blijven uitmaken van hun fractie en hebben zich hiervan niet afgescheiden. Een te vormen kabinet wordt dus gedragen door de fracties van C.D.A. en V.V.D., die te zamen de meerderheid in de Tweede Kamer vormen. Met de verklaringen van de fractievoorzitters van C.D.A. en V.V.D. is komen vast te staan dat de aanvaarding van het herzien regeerakkoord door de fracties inhoudt dat op basis van dit regeerakkoord de vorming van een kabinet mogelijk is, dat mag vertrouwen in voldoende mate steun in de volksvertegenwoordiging te ondervinden. Wat enkele leden van de C.D.A.- fractie hebben verklaard gaat verder dan een louter willen gedogen. Opmerking verdient in dit verband dat bij de kabinetsformatie in 1973 werd aanvaard, dat het louter willen gedogen reeds medebrengt dat een kabinet in voldoende mate steun in de volksvertegenwoordiging zal ondervinden.”